|
Op 10 mei 1940 werd Nederland ruw wakker gemaakt door het binnenvallende Duitse leger. Voorafgaand aan de inval
met grondtroepen vonden er onder andere luchtlandingen plaats op strategische plaatsen zoals bij vliegvelden en
bruggen. Duitse valschermtroepen wisten in de verrassingsaanval op diverse locaties de Nederlandse verdediging te
overmeesteren. Zo ook het vliegveld Waalhaven bij Rotterdam. Nadat dit vliegveld in Duitse handen was gevallen,
werden meer en meer Duitse grondtroepen ingevlogen. In deze verwarde dagen verliep het Nederlandse contact met
Groot-Brittannië en Frankrijk via de luchtvaartattachés in Den Haag. De Britse attaché meldde op 10 mei 1940 al om
9.45 uur aan Londen dat vliegveld Waalhaven was gevallen. Een bombardement was gewenst”. Twee uur later werd
het verzoek herhaald. Ook Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg dienden te worden aangevallen.
De opdracht werd uiteindelijk opgepakt door de RAF, met als doel de Duitse vliegtuigen op en rond het Nederlandse
vliegveld Waalhaven te vernietigen. Voor deze aanval koos de RAF voor het 600 City of London squadron. Deze was
gestationeerd op RAF basis Manston. Dit squadron maakte deel uit van de zogenaamde 'Auxiliary Air Force', een
elitecorps bestaande uit burgervrijwilligers, dat in 1924 werd opgericht. De Britse aanval op Waalhaven van 10 mei
1940 werd uitgevoerd door zes Bristol Blenheim Mk I F jagers. Ondanks de beperkte snelheid van de Blenheim zette
de RAF het toestel veel in tijdens de eerste dagen van de Duitse inval in de lage landen. Een voorname reden voor de
brede inzet van dit toestel was dat men de meer capabele Spitfire- en Hurricane jachtvliegtuigen dringend nodig dacht
te hebben voor de verdediging van Engeland zelf.
De Bristol Blenheim
De Bristol Blenheim Mark 1 werd in 1937 door de RAF in gebruik genomen.Het toestel was geheel uit metaal
vervaardigd en had een gestroomlijnde vorm. Voor de aandrijving werd gebruik gemaakt van twee Bristol Mercury VIII
motoren van 840 pk. Het toestel had in principe een driekoppige bemanning: piloot, schutter en navigator. In de
eerste versie had het toestel een Vickers K mitrailleur van 7,7 mm in de draaibare rugkoepel en in de
bakboordvleugel. De (in die tijd vaker toegepaste) rugkoepel, en de glazen neus waren kenmerkend voor de
Blenheim. Al deze eigenschappen maakten het toestel toentertijd tot een modern en snel gevechtsvliegtuig. Dat de
RAF hiervan overtuigd was, mag blijken uit het feit dat er in 1935 vanaf de tekentafel al 150 Blenheims besteld
werden, voordat het toestel ooit gevlogen had. De eerste vlucht vond namelijk pas plaats op 25 juni 1936.
Aanvankelijk was men van plan het vliegtuig, wegens zijn hoge snelheid, als dagjager in te zetten. In die tijd ging de
techniek echter snel en met de oorlogsdreiging werd de Blenheim Mk I al voor het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog (september 1939) voor een groot deel vervangen door de Blenheim Mk IV, omdat men inzag dat het
oorspronkelijke toestel al geen partij meer was voor de snellere Duitse jagers. Van de geleverde Mk I toestellen
werden er toen circa 200 omgebouwd tot een nachtjagerversie, die bekend stonden als de IF versie. Deze toestellen
hadden onder de romp een houder, met daarin in totaal vier 7,7 mm Browning mitrailleurs. Een aantal van deze
nachtjagers werd daarnaast uitgerust met een luchtradar (de A.I. MkIII). De eerste eenheid die uitgerust werd met de
Blenheim Mk IF, was het No 600 Squadron te Hendon. Dit gebeurde in september 1938. In totaal waren er 24
nachtjagereskaders en de Blenheim Mk IF zou van 1939 tot medio 1941 de ruggengraat van deze eskaders zijn.
De aanval op vliegveld Waalhaven
Nadat in Engeland de berichten over de Duitse inval waren doorgekomen, werd het 600 squadron in staat van
paraatheid gebracht. Het was duidelijk dat de rustige maanden voorbij waren. A flight van 600 squadron werd
gewaarschuwd dat het een aanval zou gaan uitvoeren. Voordat de briefing plaatsvond werd deze echter al
afgelast. In de loop van de ochtend werd de staat van paraatheid overgedragen aan B flight.Kort na het middaguur
stegen de zes toestellen van B flight op. De leiding werd gegeven door de 29 jarige squadron leader James Jimmy
Wells. De navigator van Wells’ toestel was sergeant Davis en de boordschutter was corporal Kidd. De zes toestellen
stegen in de mooie lentemorgen tot een hoogte van 2.000 feet (ongeveer 700m), om op die hoogte enige tijd te
wachten op een toegezegd Spitfire escorte. Dit escorte kwam echter niet opdraven. Jimmy Wells besloot de aanval
echter toch door te zetten aangezien Nederlandse grondtroepen zouden proberen om simultaan met de luchtaanval
de Duitsers te verdrijven.
Na een voorspoedige tocht over de Noordzee, vlogen de Engelse piloten vanaf
3.000 feet in twee aanvalsgroepen (“echelons”) van drie toestellen op het vliegveld
aan. Ze doken af op de Duitse vliegtuigen die hier geparkeerd stonden en raakten
diverse van deze toestellen, wat hier en daar brandjes veroorzaakte. Kans op een
tweede aanval kreeg men niet, want inmiddels waren Duitse jachtvliegtuigen op het
strijdtoneel gearriveerd. Deze Duitse jagers waren van het 3./ZG1 (ZG = Zerstörer
Gruppe; langeafstandsjagers) en vlogen onder leiding van Oberleutnant Streib.De
Britten vlogenlaag door de aanval die ze net uit hadden gevoerd en ze haalden alles
uit hun toestellen om weer op voldoende hoogte te komen om het gevecht aan te
kunnen gaan. Door hun gebrek aan hoogte en doordat de Duitse toestellen
(Messerschmitt Me-110) superieur waren aan hun toestellen, hadden ze echter
geen schijn van kans. Binnen enkele minuten waren vijf van de zes Blenheims
aangeschoten. Vier van deze toestellen zijn in de omgeving van Rotterdam en
Pernis neergestort.
Zo ging het de verschillende bemanningen af:
- Van de Blenheim BQ-R, het toestel van Jimmy Wells, overleefde alleen Sgt. John Davis de crash. Hij wist terug te
keren naar Engeland.
- Van de BQ-K werd piloot Hugh Rowe gevangengenomen. De staartschutter Sgt. Echlin overleefde de crash niet.
- De verhalen van de bemanningen van de Blenheim BQ-L en de BQ-W, zijn pas na een uitgebreide studie van Hans
Onderwater aan het licht gekomen. (zie het boek “En toen werd het stil”) De vier bemanningsleden van deze
toestellen zijn pas in 1981 geïdentificeerd, dus 41 jaar na dato. De bemanningsleden waren: F/O Moore en Cpl.
Isaacs (BQ-W) F/O Anderson en Cpl. Hawkins (BQ-L)
- Het vijfde toestel was de BQ-N van Richard Haine en Kramer. Op hun verhaal komen we zo terug.
- Het zesde toestel was de BQ-O en werd gevlogen door Hayes en Holmes. Ook dit toestel werd zwaar aangevallen,
maar wist toch als enige van de zes toestellen terug te keren naar Engeland. Hayes overleefde de oorlog en werd
later zelfs commandant van het 600 squadron. Holmes sneuvelde in 1941.
Vijf van de zes toestellen gingen verloren en hoewel de zesde Engeland weliswaar haalde, moest het afgeschreven
worden wegens de ernstige beschadigingen. Van de dertien bemanningsleden vonden er zeven de dood, vijf keerden
terug naar Engeland en één werd gevangen genomen. Al met al betaalden de soms wel eens spottend
‘weekendflyers‘ genoemde bemanningen van de Auxiliary Air Force een hoge prijs. Later die dag werd Waalhaven
nogmaals aangevallen door de RAF. Deze aanval vond plaats rond 13.20 uur. Dit maal werden negen Bristol
Blenheim Mk I L lichte bommenwerpers ingezet. Volgens het gevechtsrapport zouden tijdens het bombardement
zestien Duitse vliegtuigen zijn vernield. De negen toestellen die voor deze aanval werden ingezet keerden allemaal
veilig op hun basis terug…
De Blenheim BQ-N van Haine en Kramer
Dan rest ons het bijzondere verhaal van het toestel van Haine en Kramer. Na hun aanval op het vliegveld kregen ook
zij de Duitse toestellen op hun dak. In de eerste aanval die ze te verduren kregen, werd het perspex van het
cockpitdak en het instrumentenpaneel van hun toestel aan gruzelementen geschoten. Hierbij raakten de kogels
Haine’s helm. Haine stuurde het toestel in een scherpe ontwijkingmanoeuvre alvorens het toestel getroffen werd
tijdens een tweede aanval van de Duitsers. Hierbij werd de rechtervleugel doorzeefd en de motor aan de linkerzijde
werd zodanig beschadigd dat hij stopte. Met slechts een motor, was er geen sprake meer van enig vermogen tot
scherp manoeuvreren. Toen een Duits toestel zich klaarmaakte voor een derde aanval op het gehavende toestel
probeerde Haine naar de grond te duiken om op die manier de aanvaller af te schudden. Bij deze aanval werd ook de
linkervleugel doorzeefd en er werd een deel van de rechterpropeller afgeschoten, waardoor het toestel begon te
vibreren. Door de schade aan de vleugels werd de luchtstroom ernstig gehinderd en Haine besefte dat het toestel in
een ongecontroleerde duikvlucht zou kunnen komen. Op dat moment kwam er een Messerschmitt Me-109 langs
vliegen. De Duitse piloot moet gedacht hebben dat de Blenheim elk moment kon neerstorten want hij maakte geen
aanstalten voor nog een aanval op de Britten. De boordschutter van de Blenheim probeerde echter wel het vuur te
openen, maar zijn wapen haperde aanvankelijk. Toen het wapen uiteindelijk begon te werken vuurde hij een salvo af
op de Messerschmitt die nog naast hun vliegtuig vloog. Hierbij werd de Duitse piloot geraakt en het toestel draaide af.
Het is vrijwel zeker neergestort. In de tussentijd worstelde Haine met het zwaar gehavende toestel. Hij moest ergens
een noodlanding maken, want van een gecontroleerde vlucht was geen sprake meer. Op dat moment zag hij een rij
bomen voor zich, waar hij het toestel maar ternauwernood overheen wist te vliegen. Vervolgens zag hij een schijnbaar
eindeloze vlakte van modder, slikken en schorren. Haine had de slikken van het Grevelingen bereikt, net voorbij het
eiland Overflakkee. Dit was een ideale plaats voor een buiklanding. Het toestel werd als een stervende zwaan op de
slikken gezet. Overal lekte brandstof uit de kapot geschoten vleugels, dus Haine en Kramer probeerden enigszins
gehaast het toestel te verlaten. Hoewel ze beiden gewond waren geraakt aan hun gezichten en hun handen door
rondspringende glasscherven van het instrumentenpaneel en de versplinterde ruiten, lukte het ze om uit het toestel te
komen. In de lucht was nergens enig teken van vliegtuigen. De mannen probeerden het toestel in brand te steken,
maar merkwaardig genoeg weigerde de Blenheim vlam te vatten, zelfs niet na het afschieten van zogenaamde Verey
cartridges (lichtkogels). Omdat ze vreesden dat de lichtkogels de aandacht zouden trekken, hebben ze de poging
gestaakt en zijn ze door het ondiepe water naar de dijk van Overflakkee gewaad.
Na drie dagen vol omzwervingen zijn ze beide in Hoek van Holland aangekomen. Hier aangekomen zijn ze aan boord
gegaan van het Engelse oorlogsschip HMS Hereward. Dit schip heeft ze terug gebracht naar Engeland. Aan boord
van dit schip waren overigens enkele beroemde gasten aanwezig, waaronder Koningin Wilhelmina…
Richard Haine ontving voor zijn acties op 10 mei 1940 uit handen van de koning het Distinguished Flying Cross
(DFC), op 9 juli 1940.
Levensloop Richard Haine, DFC OBE
1939. Haine vloog al op 4 september 1939 de eerste defensieve nachtvlucht van de oorlog. Achteraf bleek het om een
loos alarm te gaan, omdat het gespotte toestel Brits was. Ook viel Haine samen met vijf andere Blenheims de haven
van Borkum aan, waar een Duitse basis voor vliegboten was. In april 1940 werd Haine geplaatst bij 600 squadron op
Manston. De acties van 10 mei zijn uitgebreid besproken. Na deze gebeurtenissen is Haine vooral betrokken
geweest in de vervolmaking van het nachtvliegen met als doel het onderscheppen van in de nacht opererende
vijandelijke toestellen. Na plaatsing als flight commander en squadron commander bij 68 squadron op Catterick, in
januari 1941, is Haine overgeplaatst naar Noord-Afrika. In oktober 1944 nam Haine het commando over van 488 New
Zealand squadron, dat met de Havilland Mosquito vloog. In mei 1945 nam hij het commando over van de Spitfire OCU
(Operational Conversion Unit) waarna hij station commander werd van Kai Tak, Hong Kong in september 1945. Een
actieve inzet in de oorlog met Japan was door het gebruik van de twee atoombommen en de hierop volgende overgave
van Japan niet meer aan de orde.
Haine heeft in de Tweede Wereldoorlog vijf toestellen neergehaald. Twee hiervan waren Junker bommenwerpers, die
hij heeft neergehaald tijdens nachtmissies.
Na de oorlog was hij betrokken bij de ontwikkeling van de straaljagers. Hij was wing commander op Habbaniyah en
Akrotiri. Hij eindigde zijn carrière als trainer van de navigators van de V-bombers nuclear force van de RAF. Haine
ging in 1970 met pensioen. Op 1 januari 1962 werd hem de Officer of the Order of the British Empire onderscheiding
uitgereikt. In totaal heeft hij in 111 verschillende typen vliegtuigen gevlogen in de periode van 1935 tot 1962. Vandaar
ook de titel van zijn boek, From Fury to Phantom, an RAF pilot’s story 1936-1970.
Group Captain Richard “Dickie” Haine, OBE, DFC, is overleden op 30 september 2008, een dag voordat hij zijn 92e
verjaardag zou vieren.
Bronnen en foto's:
- From Fury to Phantom, R.C Haine, DFC OBE
- Blijvend gedenken, D. Hoogzand
- En toen was het stil, H. Onderwater
- Kees Stoutjesdijk
- Dhr. D. Geelhoed dhr. C. Ras
- Wikipedia Commons Bundesarchiv
|
|
> 10 mei 1940
> Een bruut ontwaken...
|