> OORLOGSHERINNERINGEN
We hadden een gesprek in februari 2001 met elkaar. De zaken staan hem dan nog helder voor de geest. Zijn naam is niet zo belangrijk, vind hij zelf.
Juist bij het ouder worden komen veel dingen uit die bewogen periode weer terug. Het bewijst alleen maar hoe ingrijpend het allemaal geweest is, meer dan iemand die het niet heeft meegemaakt, kan vermoeden. Voor hen is de oorlog nooit voorbij!
Op maandagmorgen 21 juni 1943 zijn we hiervandaan weggevoerd met een hele groep van Goeree en Overflakkee. Vooraf vond een keuring plaats, die overigens niets voorstelde. Bijna iedereen werd goedgekeurd. Aan onderduiken viel gewoon niet te denken. Waar moesten zoveel mannen in een keer blijven? Bovendien werd gedreigd de familie op te pakken met alle gevolgen van dien. Er waren al wel vrijwilligers vertrokken voor dat wij weg gingen, maar van de groep die gedwongen werd tot Arbeitseinsatz, is er niet een achtergebleven of ondergedoken. De reis werd met de trein gemaakt, en bij Venlo gingen we de grens over. Bij Frankfort am Main was een verzamelpunt, waar groepen werden gevormd. Diegene die zich had opgegeven als boer kwamen in de fabriek terecht, en de mensen die zich opgaven voor de fabriek kwamen bij een boer terecht. Wij kwamen in de provincie Hessen terecht, in het stadje Wetzlar. We moesten in een ijzer-en staalfabriek werken, die overigens nog bestaat. Ze maken nu ketels voor centrale verwarmingsinstallaties. We kwamen in een nieuw lager, nadat we eerst nog een paar dagen in een ander lager hadden gebivakkeerd. Als eerste moesten we strozakken vullen met houtwol. Dat is er niet meer uit geweest tot aan onze bevrijding in april 1945. Ze stonden werkelijk stijf van het ongedierte. We hadden een “woonvertrek”waar we met zes personen moesten slapen, eten en alles doen. Met z’n allen in zo’n kleine ruimte en dat twee jaar achter elkaar is natuurlijk niet zo eenvoudig. Van enige privacy was geen enkele sprake! We hebben daar ongeveer twintig bombardementen meegemaakt, van onze groep is er gelukkig niemand omgekomen. Dat is wel opvallend. Het lager was kapot, de deuren en ramen sneuvelden en werden ook niet gerepareerd tot aan het einde van de oorlog.
Een stuk verderop lagen Russinnen in een lager. ’s Morgens werden die onder begeleiding van soldaten met geweer in aanslag naar de fabriek gebracht. Onderweg werden wij opgepikt aan de Kabelbahnstrasse. In de fabriek moesten we pantserschilden maken. In een oven werden bouten warm gemaakt die we met een tang moesten pakken en vervolgens in de platen zetten. Het werk werd gecontroleerd door Duitsers. Als het niet goed was, kreeg je straf. Ook als je te laat in de fabriek was. Als je om zes uur binnen was, kreeg je een rood stempel, met als gevolg dat je een paar Marken minder loon ontving. Dat interesseerde ons niet zoveel trouwens. Gebeurde het te dikwijls, dan kreeg je zwaarder werk als straf. De Russen werden nog veel slechter behandeld als wij. Veel van hen kwamen uit de Oekraïne. Bij de bevrijding door de Amerikanen, hebben we samen naar de bombardementen zitten kijken. We verstonden ze natuurlijk niet, maar het vreemde was, dat je elkaar wel begreep! Je zat allebei in het zelfde schuitje.
Het eten was zeer slecht en altijd te weinig. Degenen die bij een boer moesten werken of in de tuinen, hadden het iets beter, omdat daar nog wel eens een wortel, een ui of een aardappel te versieren viel. Ook mochten we pakketten van thuis ontvangen. De kwaliteit van die pakketten was heel verschillend, naar gelang men thuis missen kon! Op zeker moment knaagde de honger zo erg, dat ik uit de kast van een ander, die in de tuin werkte, wat eten weg nam. Natuurlijk ontdekte de betreffende man dat. Ik zei tegen hem: ”Je hoeft niet te zoeken, want ik heb het gedaan”. Hij wilde er werk van maken bij de Lagerf?hrer. Ik zei:” Als je dat doet, trap ik je dood”! Een mens wordt onder zulke omstandigheden als een beest! Anderzijds was je wel gedwongen om rigoreus op te treden want die Lagerfürer was geen lieverdje! Op stelen stond de doodstraf. Werd je ontdekt dan kreeg je een bord om je nek waarop in verschillende talen stond dat je gestolen had. Hiermee moest je dan een rondgang door de fabriek maken en aan het einde van die rondgang werd men doodgeschoten, zonder pardon. Ik heb ook nog een keer meegemaakt dat er vlees gestolen was. Ik had juist een flesje vlees gekregen in een pakket van thuis, zodat ze mij ook verdachtten van de diefstal. We werden naar beneden getrapt en moesten op het kantoor komen, waar we ondervraagd werden. Ze beschuldigden mij dus ook. Plotseling kwam het idee bij me op dat ik misschien bewijzen kon, dat ik het vlees van thuis gekregen had. Op het potje stond namelijk de naam van de glasfabriek: Leerdam. Inderdaad geloofden ze me toen, maar ik zeg je dat je het dan niet best hebt! Anderzijds steunde je ook erg op elkaar. Je had geen vader of moeder of ander familielid, dus was je op elkaar aangewezen. Wanneer iemand overleed was dat zeer ingrijpend. Ook gebeurde het een keer dat de Belgen van twee hoog met water hadden gegooid op Hollanders. De Lagerf?hrer, die verantwoordelijk was voor de orde in het lager, kwam er aan te pas en stond met getrokken pistool voor de groep. Ik kwam net uit de wasruimte en liep in mijn hemd voorbij. Je moest dan je naam en controle nummer zeggen, ik had 7177. Als straf werden je etensbonnen ingehouden. Dat stond bijna gelijk aan de doodstraf, want je had al zo weinig. In een opwelling sloeg ik het pistool uit zijn handen, raapte het ook weer op en gaf het aan hem terug. Met bevende handen nam hij het in ontvangst! En hij schoot niet! Ik heb er wonderlijk genoeg nooit meer iets van gehoord. Een andere keer had ik tijdens een bombardement twee bieten gevonden, geen suikerbieten want die zijn lekker, maar voederbieten. Ik had ze in mijn jas gerold en meegenomen. Prompt werd ik aangehouden door een Duitser, maar ik mocht ze gelukkig houden. Wel werd er een stuk van die bieten gestolen, hetgeen wel bewijst dat er honger geleden werd. Eén van de mannen uit de groep mocht naar huis, naar Ouddorp, omdat hij TBC had. Hij is nog bij mijn moeder langs geweest en is enkele weken later gestorven.
Ook heb ik veel klappen gehad. Mijn ribben sloegen ze door mijn longen, maar je moest gewoon door blijven werken! Het meest vernederende was, als ze je midden in je gezicht spuugden! Een klap doet zeer, maar dat was nog veel erger!
Op zeker moment kwam de Lagerführer ons halen; in een soort kantine kregen we voorlichting over de SS. Eigenlijk was het een wervingsactie voor dienst bij de SS. Er stond een grote tafel keurig gedekt met wit papier, met volop wit brood en wijn, sigaretten en van alles. Als je dan crepeert van de honger, is de verleiding natuurlijk erg groot om je handtekening te zetten. Sommigen hadden de pen al in de hand en bedachten zich nog, anderen hebben getekend, hoewel niet veel. Ook van Flakkee! Natuurlijk waren dat geen echte SS’ers, maar na een korte opleiding gingen ze wel naar het front! Toen we na de bevrijding in Nederland in het ziekenhuis lagen, ontdekten de zusters bij een wasbeurt toch nog een SS’er met een bloedgroepteken onder zijn arm. Dat was gelijk een rel. Hij werd gelijk afgevoerd.
Eind maart 1945 zijn we bevrijd door de Amerikanen. Eerst werden we naar een boerendorpje in de buurt gebracht, daar zijn we ongeveer een dag of tien geweest. We hadden het daar goed, volop eten en drinken. Daarvandaan zijn we naar Koblenz gegaan om daar een paar dagen in quarantaine te gaan. We werden ondergebracht in een fabriek. Het water was niet te drinken, alleen na het toevoegen van een ontsmettingstablet. Toen mochten we naar Holland! Met dertig man op een open wagen zijn we naar Vaals gebracht. Daar werden we ontsmet met DDT en gekeurd. Ik kwam daar in het ziekenhuis terecht waar ik ongeveer achttien maanden ben verpleegd. We waren met een groep van 105 man, niet allemaal uit Wetzlar afkomstig maar uit verschillende streken. De dokter die ons keurde, dokter Diel, zei toen al, dat we niet allemaal veertig zouden worden. En dat is uitgekomen ook. Misschien dat er nog wel iemand twee en veertig is geworden, maar van de hele groep zijn er nog twee in leven, de rest stierf als ratten! Mijn vader heeft me nog opgezocht op een fiets met houten banden vanuit Flakkee naar Zuid-Limburg, terwijl hij toch ook al 58 was. De verzorging in het ziekenhuis was perfect. Je kon niet begrijpen dat er nog mensen waren die goed voor je waren na alles wat je had meegemaakt. Met een van de verpleegsters hebben we een levenslange vriendschap gehad. In 2000 is ze overleden; voor ons was het of er een familielid overleed!
Toen ik in Sommelsdijk kwam, heb ik nog een jaar thuis gelopen als arbeidsongeschikt.
Een uitkering kreeg je niet, dus je was zo arm als een kerkrat. Van enige opvang was ook geen sprake, je moest maar zo snel mogelijk zien te vergeten! Daarna kwam ik in het zwaarste werk onder de zon: vlas plukken en kunstmest lossen in zakken van honderd kilo! Later hebben we het goed gekregen en met mijn gezondheid had ik geen last meer!
Herinneringen van een gedwongen gastarbeider.
Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ' Bezet, Belaagd, Bevrijd'.