> OORLOGSHERINNERINGEN
Ik werkte in die tijd, 1943, bij bakkerij Heestermans in Oude Tonge. Een medewerker was pro-Duits. Ze hadden mij nog steeds uit Duitsland kunnen houden. Op zeker ogenblik vroeg hij me of ik daar wat tegenover wilde stellen. Hij gooide een “Volk en Vaderland “op tafel. Ik werd geacht lid te worden van de NSB. Daar had ik geen zin in. Via de NSB-burgemeester Dekker, werd ik gedwongen naar Duitsland te gaan in het kader van de Arbeitseinsatz. Op een maandag, 9 juli 1943, vertrokken we om via Rotterdam naar Dresden te gaan uiteindelijk. In een soort arbeidsbureau werden we geselecteerd. Mijn kameraad die ook uit Oude Tonge kwam, Simon Hartog, moest naar een lijmfabriek en ik naar een glasfabriek. Ook daar kreeg ik al snel een paar kameraden. We werden gehuisvest bij een Leger des Heils vestiging. Voor twee kwartjes per nacht mochten we daar slapen. We kregen geld voor het werk wat we deden. Soms verdienden we meer dan de Duitsers. We moesten glazen slijpen, in een bepaald model, wat we “in het aangenomen deden”. Na enige tijd hadden we een zekere handigheid daarin gekregen. Daarom werden de stukslonen verlaagd van 25 naar 15 cent! Eten was daar goed. Bovendien stuurde Heestermans iedere veertien dagen een pakket levensmiddelen. Alleen later werd het wat het eten betreft minder; de pakketten kwamen toen ook niet meer aan. Thuis dachten ze dat we het niet zo goed hadden, dus stuurden ze bijv. boter op, dat hadden we eigenlijk niet nodig. Ook hadden we nog een kaart voor zware arbeid, waardoor we nog wat extra kregen, hoewel we helemaal geen zwaar werk hadden! Sigaretten ruilde ik ook, ik rookte niet. Toen werd in die omgeving nog niet gebombardeerd. Het grote bombardement van 13 op 14 februari 1945 maakten we mee toen we in ons tehuis waren. ’s Avonds gingen we vaak naar een café waar we bekenden ontmoetten en wat konden eten. We waren net een poosje thuis en mijn kameraad lag al te slapen. De sirenes gingen en ik probeerde hem wakker te maken, wat nog niet zo vlot ging. Toen ik beneden was gooiden ze heel veel zg. kunstzonnen uit waardoor de omgeving hel verlicht werd. Ik zag een “Vliegend Fort “heel laag over de gebouwen scheren. Maar eerst moest ik mijn maat nog uit bed halen, die sliep overal doorheen! Beneden gekomen zijnde gingen we in de kelder van het gebouw, dus niet eens een echte schuilkelder. Steeds hoorde je explosies. Toen het minder werd zijn we onze koffers wezen halen op de bovenverdieping. Toen we daar waren, hoorden we weer een grote klap terwijl de kalk van de plafonds viel. Een explosie heel dicht in de buurt!
We zijn toen naar een Duitse vrouw gegaan waar mijn kameraad wel meer kwam. Maar voordat het zover was, kwam er weer alarm. Het was in een woord verschrikkelijk! De hele stad brandde als een fakkel! Het leek alsof het plotseling stormde ! Doordat er zoveel vuur was, werd de zuurstof uit de lucht verbruikt en aangezogen, wat voor een enorme vuurstorm zorgde! Voortdurend hoorde je de bommen fluiten! We zaten met een man of dertig in een kelder, toen we er achter kwamen dat we er niet meer uit konden. Door de bommen was de uitgang geblokkeerd. Mijn kameraad vond gelukkig een bijl waarmee we een uitgang konden maken. Op de straat stonden we plotseling middenin het vuur! Door de wind was alles één vuur- en vonkenregen! Toch moesten we er door. We hadden allebei een hoed die we voor onze ogen hielden en zo zijn we onder de vlammen door gerend. Ik viel nog een keer, waarschijnlijk over een mens, maar ik kon niet stoppen om te zien of het een levende of een dode was. Er was geen tijd te verliezen, en we hadden geen andere keus! Gelukkig zijn we er goed door gekomen. Bij de Elbe aangekomen was de aanblik werkelijk verschrikkelijk! Overal lagen verkoolde lijken en zwaar verminkte slachtoffers waar nog geen hulpverlening voor was. Sommigen waren alleen maar afgedekt met een stuk papier. Vele duizenden mensen zijn toen omgekomen.
Na verschillende omzwervingen zijn we op stap gegaan om thuis te komen. Met een trein met open wagons zoals ze later voor bietentransport gebruikten, zijn we richting Bremen gegaan. Onderweg waren er de nodige beschietingen.
Aan de grens werden we weer gecontroleerd door een SS’er. Onze papieren waren niet in orde. We werden naar een andere plaats verwezen, terug, de plaats weet ik niet meer. Daar moesten we ons melden. De eerste die we tegen kwamen was een NSB’er. Daar kregen we de opdracht om ons te melden bij de OT in Zuidlaren. Daarvandaan zijn we naar Gorredijk gaan lopen en toen weer naar Lemmer. Daar voer een boot naar Amsterdam. Na de nodige perikelen konden we mee naar Amsterdam. Al met al zijn we zo’n drie weken lang niet uit de kleren geweest. Na het bombardement heb ik voor het eerst weer in begin maart 1945 tussen lakens geslapen. Na veel wederwaardigheden kwam ik 4 maart 1945 bij mijn moeder aan, die in de buurt van Culemborg geëvacueerd was.
Mijn kameraden zijn nog wel terug geweest naar Dresden. Ik zag dat niet zo zitten. Je herkent er weinig meer uit die tijd.
Herinneringen aan de oorlog van D. Kik.
Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ' Bezet, Belaagd, Bevrijd'.