> OORLOGSHERINNERINGEN
Mevrouw Het Jonk woonde in die tijd te Melissant aan de Bouwdijk en was nog niet getrouwd. Ze woont thans in Sommelsdijk (2001), en weet veel dingen uit het dagelijks leven op een rustig dorp als Melissant te vertellen. Over het algemeen was er slechts een kleine bezetting van Duitsers. Toch was het ook daar soms spannend!

In maart 1944, de jongens hadden valse Ausweisen via Koos van de slachter (Goedegebuur) gekregen. Leen Trommel, de schoenmaker, had de jongens wel eens achter gezien. Opoe was naar Hellevoetsluis en tante Leida was ook bij ons. Ze had reuma. Zodoende waren we met z’n zevenen. Het was een heel probleem om het eten te koken. Van Thijs Verkerk kregen we een beetje petroleum. Hij dacht dat we met z’n drieën waren! Om te koken werden de zg. Rommelasperges, ook wel Wehrmachtspalen genoemd, uit de polder gehaald. Ook hiertegen hadden de moffen hun bedreigingen opgeplakt. Ieder die gesnapt werd, werd ter plaatse doodgeschoten! Toch ging menigeen op stap om op die manier aan brandstof te komen. Alleen niet in de directe omgeving. Men ging dus steeds een eind uit de buurt om palen te bemachtigen. Het zagen deden ze met een zak erom heen om het geluid te dempen. Natuurlijk was dat zwaar werk. Met flinke stukken boomstam op je nek over geploegd land lopen, was niet eenvoudig! Dikwijls hoorde je de Duitsers rijden als je in het donker was. Over het algemeen was ik niet bang, en hielp op die manier mee om aan brandstof te komen. Op een keer zouden we aan het “Brabersdijkje” ( inmiddels weggegraven, achter de Bouwdijk) onze slag slaan. Ik zou ’s morgens om zes uur de buit ophalen met een kar met ijzeren wielen. Halverwege brak de burrie van de kar. Hoewel het al licht begon te worden, moesten de palen alsnog in veiligheid gebracht worden. Mijn vader, hij was groot en sterk, kwam dwars over het geploegde land met een paal op zijn nek aanlopen, hijgend als een locomotief! Maar ik zag hem in het schemerdonker aan voor een Duitser. Ik kan wel een beetje begrijpen wat iemand voelt, die denkt dat hij wordt doodgeschoten! Regelmatig kwam er een Duitse wacht langs, toch ging alles goed. We zijn dikwijls bewaard gebleven. David Doornheim heeft het met zijn leven moeten bekopen!

Mijn broer Job was gedwongen tewerk gesteld bij de OT (Organisation Todt, verantwoordelijk voor o.a. de bunkerbouw). Op zekere keer gingen ze naar Ouddorp om te werken. Nu was daar juist een Engelse piloot neergekomen. Daar werd naar gezocht! Het was een hele drukte van militairen, politie, overvalwagens enz. Door de jongens die in de tram zaten werd al voorgesteld om uit de tram te springen. Mijn broer vond dat niet nodig, hij werkte immers bij de OT. Ze werden bij aankomst wel gecontroleerd op hun Ausweis. Volgens de controlerende Duitsers moest hij echter voor de Arbeitseinsatz werken. Hij had hier nooit bericht van gehad! Toch werd hij ook in de overvalwagen geschopt. De inmiddels gevonden piloot moest blijven staan, zij mochten gaan zitten.
fs Avonds kwam iemand de stikzak bij ons thuis brengen met de mededeling dat mijn broer was opgepakt en afgevoerd naar Rotterdam, naar het politiebureau Heemraad-singel. Vader heeft nog moeite gedaan om hem te achterhalen, maar ze waren al met de boot vertrokken. Ook een bezoek aan Ouddorp haalde niets uit. Ten einde raad ging hij zelf naar het politiebureau Heemraadsingel. Ook daar haalde zijn pleidooi niets uit. Het enige was een klap in zijn gezicht van een NSB’er! Voortaan ging hij iedere dinsdag naar de gevangenis met schone kleren. Op een keer zag hij zijn zoon lopen op een trap. Hij riep zijn naam door het gebouw, waarop hij weer een klap in zijn gezicht kreeg! Wel zag hij dat een aantal gevangenen werd afgevoerd, geboeid en wel, naar een concentratie-kamp. Vader probeerde via allerlei instanties om zijn zoon vrij te krijgen. Tot op zeker ogenblik hij in gebed de woorden kreeg: “Hoe lang zal je de god van Ekron nog vragen?” Hij was op de verkeerde manier bezig geweest! Nog dezelfde dag, ’s avonds toen niemand meer op straat mocht komen, kwam mijn broer thuis! Het was wat later bekend stond als “dolle dinsdag”. Wat was er namelijk aan de hand? We werden gewaarschuwd door Aai Overweel om Jan, mijn andere broer, binnen te houden. De paarden liepen met oranjestrikken op! De Duitsers waren vertrokken enz. Er was een verkeerd bericht over de Engelse zender gekomen dat we bevrijd waren. Dat bleek dus niet te kloppen. Nu was er op “Stelle “ (aan het einde van de Molendijk, bij de overgang naar de Slikken van Flakkee) een tweetal huisjes omgebouwd tot bunker met inventaris als een tafel, stoelen, een telefoon enz. Tijdens de afwezigheid van de Duitsers had een boerenzoon, Pauw van den Broek, de boel daar gesloopt. Toen kwamen de moffen terug! Luitenant Langhärig zon op wraak! Een aantal personen dat ze oppakten, o.a. Thomas van der Spaan, moest peuken en rommel verzamelen in een zak, kruipend over de Voorstraat.
Inmiddels was de dader gearresteerd en gevangen gezet in het gemeentehuis. Overigens zag die de bui aankomen en sloeg een ruit stuk en verdween om zich tussen de aard-appelbedden te verbergen. Al met al liep het met een sisser af. Op diezelfde avond kwam mijn broer Job dus thuis.

Inmiddels was het december 1944 geworden. Via het z.g. “Stellingbevel” werden alle mannen van 17 tot 40 jaar, opgeroepen om in Duitsland  te gaan werken. Mijn broer Job, met de ervaring van de Heemraadsingel in gedachten, voelde er niets voor. Ook mijn aanstaande man Simon het Jonk, had evenals mijn andere broer Jan, geen zin in dat avontuur. Met z’n drieën zouden ze onderduiken. Ondanks bedreigingen die via luidsprekers aan de bevolking werden meegedeeld, dat iedereen die niet kwam opdagen en gevonden werd, doodgeschoten zou worden en het woonhuis in brand zou worden gestoken. We woonden in die tijd aan de Bouwdijk in een z.g. dijkwoning. In de dijk hadden ze een gat gegraven, hetgeen afgedekt werd met zeil en een vloerkleed. De andere dag kwamen er vier Duitsers. De mannen zaten toen nog niet in hun schuilplaats. Ze vroegen waar de mannen waren. Ik zei dat ze naar Duitsland vertrokken waren met hun koffers. Een van die Duitsers zag een foto van mij en mijn man in uniform. Ze dachten dat hij gesneuveld was. “Ach Madeleine “, zei hij, terwijl hij langs mijn gezicht streek. Ze doorzochten alles, maar vonden niets. We zaten evengoed in spanning als degene die in Duitsland tewerk waren gesteld. Voortdurend oefenden we om zo snel mogelijk in de schuilplaats te komen. Er kwamen regelmatig Duitse patrouilles langs, dus was het oppassen geblazen.

In maart op een zondagmiddag, kwamen er Duitsers aan de deur. We hadden een flinke woning met een schuur en we waren maar met drie personen. Inkwartiering was dan niet denkbeeldig. Nu heerste er in die tijd difterie, en daar waren ze bang voor. Op verschillende plaatsen in het dorp hingen kaarten met een dergelijke tekst op. In een tijd van twee minuten had ik een stoel op het onderduikersgat gezet, dook in de kleerkast waar weliswaar niet veel meer lag , maar nog wel een navelbandje. Dat deed ik om mijn keel, en ging in bed liggen. Ook mijn kamer, waar de onderduikers onder zaten, zou doorzocht worden. “ Dat is de kamer van mijn dochter”, zei mijn vader. Ze zeiden verder niets meer en vertrokken! Als de nood hoog is kan een mens soms veel, als het om je leven gaat.

Er gebeurden ook vervelende dingen. Een vrouw, waarvan de man in Duitsland zat, kon het niet verkroppen dat onze jongens waren ondergedoken. Ze schoof bij verschillende NSB’ers een briefje onder de deur met de mededeling dat de jongens van ons waren ondergedoken! Vader stond bekend als een bekeerde man, en die NSB’ers waren voor een deel direct of indirect uit de Gereformeerde Gemeente afkomstig. Ze hebben er in ieder geval geen werk van gemaakt. Na de bevrijding liep dezelfde vrouw met een oranjestrik op. Mijn broer kwam ze tegen en bracht het voorgaande wel even in herinnering. Hoe kon een verraadster met oranje op lopen?
Ook een boer, wiens zoon naar Duitsland was gevoerd, had er erg veel moeite mee dat onze jongens waren ondergedoken. Hij kon dat niet verdragen. Hij wilde mijn broer Job in de stal van zijn boerderij aan het werk zetten. Toen dat geen bijval vond bij mijn vader, ging hij naar Middelharnis, naar de Inselkommandant om zijn verhaal te doen. Het gevolg was dat ze op verschillende plaatsen tewerk werden gesteld. Dat schoot bij mijn broers in het verkeerde keelgat. Met een groot broodmes op zak hebben ze die boer een keer opgewacht tussen licht en donker. In eerste instantie deed hij erg verwonderd. Terwijl ze het mes lieten zien, zeiden ze, dat als hij er niet voor zorgde dat de zaak ongedaan gemaakt werd, ze morgen weer zouden terugkomen en hem uit huis zouden halen. Zijn kleur verschoot!

Na de bevrijding werd er een dankdienst gehouden in de Hervormde Kerk. Na afloop hoorden we dat er “op d’n hoek” (het Plein), wat te doen was. Het was onweerachtig die avond. Op een boerenkar zaten een stuk of zeven à acht meiden die kaalgeknipt werden. Een aantal mannen van de BS moest toezicht houden om relletjes te voorkomen. Het was geen verheffend gezicht, na het knippen lieten ze die meiden in de spiegel kijken. Een van hen, de huishoudster van mijnheer Touw, riep dat ze het wel tegen Anton zou zeggen ( een Armeen). Die was uiteraard van het toneel verdwenen! Niet alle meiden werden kaalgeknipt, de beter gesitueerden ontsprongen de dans.
Ook moesten twee NSB-boeren, voor een kar gespannen, spullen ophalen bij de meiden die met de bezetters omgang hadden gehad. Ze hadden verschillende dingen gekregen, die ze nu weer moesten inleveren. Een w.c. pot, een naaimachine enz. o.a. bij een dochter van  Maarten T.


Nog een leuk voorval schiet me te binnen. Het was omstreeks een  jaarwisseling  in de eerste helft van de oorlog. De jongens waren naar Ouddorp gegaan met de tram. In onbezonnenheid gooiden ze een voetzoeker af. Op dat moment liep daar net een onbekende heer, die ze aansprak. Hij vroeg of ze wel wisten wie hij was en dat ze beter hun pet voor hem hadden kunnen lichten. ”Nou“, zei Jan, “ik licht niet voor iedere hoop str…. mijn pet”. Het bleek de NSB-burgemeester van Dirksland, Visscher, te zijn. De knal van het rotje klonk als een schot in zijn oren. Hij was bang voor een aanslag op zijn leven! Thuis kwam iemand zeggen dat Jan vast zat in Ouddorp, hij had iets gedaan. De andere morgen mochten ze naar huis.

Een andere keer had mijn broer Jan spijkerwacht, samen met o.a. Dimmen Klein. Tijdens die wacht waren ze op de zolder van het gemeentehuis met zo’n zware ijzeren kogel van een olielamp aan het rollen geweest over de houten zolder. Natuurlijk gaf dat veel lawaai. Op een gegeven ogenblik gooiden ze die kogel naar buiten. De andere dag komt mijnheer Rooij zijn tuintje wieden. Zijn oog viel op die ijzeren kogel, die hij aanzag voor een bom. Politie Vos werd er bij gehaald, die weer bij ons aan de deur kwam om te vragen of Jan iets gehoord of gezien had. Ze hadden natuurlijk niets gehoord. Burgemeester Visscher stelde voor om “de heren Duitsers” erbij te halen. “Wat heren Duitsers, wat zijn dat ?”, vroeg Dimmen Klein. Achteraf hadden we daar wel lol om natuurlijk.

Ook stonden we een keer naar een luchtgevecht te kijken boven op een ledikant met losse schroten. Dat hadden we onder het dakraam gezet. We stonden met z’n allen te rekken om maar niets te missen, dat was altijd spannend! Plotseling vielen we met z’n allen door het bed op de houten zolder, hetgeen een enorm lawaai gaf. Vader kwam naar boven rennen en dacht dat er iets ergs gebeurd was. “Leven jullie nog jongens”, vroeg hij.

Og een andere keer was Leen Both aan een dakgoot aan het werk, als timmerman. Juist op dat moment kwam Leen K., een NSB’er, in vol ornaat voorbij fietsen. Ze groeten elkaar gewoon, waarop K. riep: “Het is nogal mistig Leen”! Waarop Leen antwoordde:”Dat is het anders al een hele tijd!”, doelend op de situatie waarin we verkeerden.
Herinneringen  aan de oorlog van mevrouw  Het Jonk-Non, Melissant.

Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ' Bezet, Belaagd, Bevrijd'.

Sitemap Disclaimer Copyright

 
Mevr. J.J. Spilt-de Jager
Anoniem
Dhr. P. Jacobs
Dhr. A. Hoek
Dhr. L. Visser
Mevr. N. Grootenboer-Nagtegaal
Dhr. A.C. van Rossum
Dhr. B. van der Laan
Dhr. R.J. Triemstra
Mevr. het Jonk-Non
Dhr. B. Keizer Thz.
Dhr. A. de Leeuw
Dhr. A. Visbeen Jzn.
Dhr. D. Kik
Mr. N. Bel
Dhr. G. de Bakker